Wandplaten

Ontstaan en evolutie van didactische wandplaten

De idee om met prenten en beelden te onderwijzen is eeuwenoud. 'Er is niets in het intellect, dat niet eerst werd waargenomen'. Onder dat motto benadrukte de Romeinse pedagoog Marcus Fabius Quintilianus (40-ca.120) al het belang van zintuiglijke waarneming bij onderwijs. Behalve het beeldende werk in onze middeleeuwse bouwwerken, kende dat principe weinig concrete uitwerkingen en beperkte het onderwijs zich hoofdzakelijk tot een mondelinge en tekstuele kennisoverdracht.

Pas in de 17de eeuw kreeg aanschouwelijk onderwijsmateriaal een bijzondere aandacht. Vooral Jan Amos Comenius (1592-1670) deed baanbrekend werk middels zijn 'Didactica Magna' (1657-1658) en zijn geïllustreerde leerboek 'Orbis Sensualium Pictus' (1658). In die publicatie werden wereldse basisbegrippen – zoals de werktuigen van de schoenmaker en de voorwerpen van een klaslokaal – geïllustreerd en tweetalig (Duits en Latijn) becommentarieerd. Door de kopergravures was die innoverende publicatie echter te duur voor het volksonderwijs.

Pas op het einde van de 18de eeuw was er een eerste gebruik van geïllustreerde schoolboeken, met name de pover verluchte 'haneboeken'. Dat waren lees- en schrijfboekjes waarin het alfabet en enkele gebeden waren opgenomen. Ze werden genoemd naar de gebruikelijke prent van een haan, die er als symbool van waakzaamheid en deugd was afgebeeld. In 1776 maakte Johann Bernard Basedow grote kopergravures op basis van illustraties uit zijn 'Elementarwerk', een leesleerboek in navolging van Comenius' Orbis. Maar het succes van visuele leermiddelen bleef echter uit.

De Zwitserse pedagoog Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) wordt beschouwd als de grondlegger van het 'aanschouwingsonderricht'. In tegenstelling tot het toenmalige hoofdelijk onderricht van de volksscholen, was hij voorstander van een 'klassikaal onderwijs'. Hij benadrukte hierbij het belang van aanschouwelijk onderwijs gebaseerd op doe-ervaringen. Hij stelde dat elk kind de kans moet krijgen, zijn natuurlijke vermogens harmonieus en geleidelijk te ontwikkelen. Dit gebeurt door te oefenen op de concrete dingen die ons omgeven. Zo werden aanschouwen én handelen het fundament van alle kennis. Leraren moeten meer met de dingen onderwijzen, in plaats van eenzijdig met woorden. Praten alleen volstaat niet, de leerstof moet ook worden 'ingeprent'. Het zou leiden tot het aanschouwelijk zaakonderwijs van Jan Ligthart en tot de 'school van het leven', dat sterk zijn stempel heeft gedrukt op de lagere school van de twintigste eeuw. Tot het einde van de 18de eeuw organiseerden de volksscholen hoofdelijk onderwijs.

In de loop van de 19de eeuw kwam met het klassikale onderwijs een strakkere discipline in de school: leerlingen werden gescheiden naar leeftijd en geslacht en de klasgroep kreeg simultaan les van onderwijzers. De klassikale methode - gericht op efficiëntie, orde en prestatie - was op het einde van de 19de eeuw in België vrij algemeen en noodzaakte een geordende klasomgeving: ruime, hoge klassen, schoolbanken, lei en griffel, uniforme leerboekjes en … wandplaten. Met de ontwikkeling van de steendruk - een vlakdrukprocédé waarbij enkel de getekende lijnen inkt opnemen en een afdruk nalaten - was het mogelijk prenten veelvuldig te reproduceren.

Vanaf omstreeks 1830 werd die innovatie gebruikt bij nieuwe media zoals geïllustreerde kranten, affiches, prentkaarten en uiteraard de didactische schoolplaten. De aandacht voor aanschouwelijk onderwijs kreeg dus concreet gestalte in het gebruik van didactische wandplaten, die bovendien simultaan door een hele klasgroep konden worden 'gelezen'. Meteen kwamen - niet zonder commercieel succes - de eerste Nederlandse platenreeksen van B. Brugsma, R.G. Rijkens en van H.J. van Lummel op de markt. Ze stonden volop in het teken van het Pestalozziaanse aanschouwingsonderwijs.

Vanaf het midden van de 19de eeuw werden voor allerhande schoolvakken wandplaten gemaakt; aanvankelijk voor aardrijkskunde, bijbelse en vaderlandse geschiedenis, later ook voor natuurkunde, volkenkunde of sprookjes… Behalve reeksen rond specifieke schoolvakken kregen we ook aanschouwingsplaten rond andere opvoedingsaspecten zoals: wellevendheid, staatsburgerlijke opvoeding en liturgische vieringen. Naargelang de onderwijsvisie dienden die prenten niet enkel de vakinhoud maar vormden ze de aanleiding om scherper waar te nemen en vakoverstijgende inhouden te ontdekken. Illustratief hiervoor is de reeks 'Het volle leven' van Ligthart en de prenten van André Mathy.

De platen werden vaak internationaal verspreid. Zo kwamen bijvoorbeeld bijbelse prenten zowel in protestantse als in katholieke scholen aan bod; Italiaanse liturgieprenten kregen Nederlandstalige onderschriften en Vlaamse scholen gebruikten verkeersplaten waarop agenten prijkten in Duits uniform. Buitenlandse uitgeverijen zoals Wolters, Rossignol, Mosella verdeelden hun platen via plaatselijke leermiddelenhandelaars.

De ruime verspreiding van dit leermiddel garandeerde echter nog geen intensief gebruik ervan. Veel wandplaten tonen eerder tekens van verwaarlozing dan van slijtage. Zo valt op dat bepaalde platen vooral werden opgediept naar aanleiding van studiedagen en demonstratielessen of voor het nemen van klasfoto's.

Meerwaarde en valkuilen’ bij het toenmalige gebruik van didactische wandplaten

Over de waarde van deze platen voor het lesgebeuren, was de commentaar in de pedagogische tijdschriften zeer verschillend. Soms werd er gewaarschuwd voor overdreven 'plaatvertellen', een andere keer werd het gebruik ervan geprezen. De vele handleidingen die tegelijk met de publicaties verschenen, signaleren dat voor de betrokken onderwijzers het gebruik van wandplaten niet vanzelfsprekend en niet eenduidig was en bevestigt dat er in het onderwijs inzake leermiddelengebruik een groot verschil was (en is) tussen de verwachtingen en de praktijk.

Toch lag de meerwaarde bij het gebruik van platen niet zozeer in de prent, maar vooral in de aanpak van de leraar, die de kinderen gericht leert waarnemen, verschillen leert ontdekken en die middels zijn verhaal de prent tot leven kon brengen. In haar boekje 'History from 5 to 9' beschrijft Joan Blyth enkele experimenten waaruit blijkt dat de interactie met de leerkracht onmisbaar is onder meer voor het aanreiken van de taal om de ontdekte begrippen en relaties vast te zetten. Tevens hecht ze veel belang aan 'oral-history', waarmee ze bedoelt: luisteren naar verhalen en getuigenissen. Die wandplaten hadden een veelvoudig nut.

Zo was een plaat over het kinderspel richtinggevend bij de impressie voorafgaand aan een spreekmoment of aan een schrijfactiviteit. Het beeld over het leven in een huttendorp in Belgisch Congo, over het leven op een Frankische hoeve of over het gangenstelsel van de mol, was voor die leerlingen een middel om een concreter beeld te krijgen op een stuk van de werkelijkheid die voor hen minder toegankelijk was. Het schema en de voorstelling van de suikerbereiding of van de werking van het oor was voor de kinderen een hulp om enig zicht te krijgen op dat procédé. Tenslotte moesten prenten over de kwalijke gevolgen van het alcoholisme, over het verkeer of over de verloren zoon, kinderen behoeden voor een maatschappelijke kwaal of hun morele of godsdienstige opvoeding ten goede komen.

Behalve het aanbod tijdens de les, waren er eveneens wandplaten die permanent waren geëtaleerd. Ze functioneerden dus niet enkel als een venster op de omringende wereld, maar waren inherent aan het klasbeeld zelf. Met andere woorden: ze waren schools en gaven een lokaal het uitzicht van een klas. Impliciet kreeg de wandplaat dus ook een decoratieve functie en beoogde schoonheid, functionaliteit en harmonie binnen het klaslokaal. Bovendien waren zij welgekomen blikvangers voor kinderen die niet ‘betrokken bleven’ bij het toenmalige lesonderwerp.

Een inhoudsanalyse van de wandplaten leert ons onder meer dat ze niet zozeer de grote pedagogisch-didactische stromingen volgden, maar vooral een eigen dynamiek bezaten, die nauw samenhing met die van een schoolse cultuur. Doorgaans werden ze steeds kindvriendelijker, eenvoudiger, kleurrijker, netter en braver. Zo werden hoofdzakelijk personen uit een begoede middenklasse afgebeeld, was het favoriete decor veelal het zonovergoten platteland en primeerde het leerzame op de ontwikkeling van de fantasie.

Het gebruik van wandplaten was niet zonder valkuilen. Wandplaten zijn immers informatiedragers. Zij ondersteunden de communicatie tussen beleidsmakers en producenten, tussen producenten en onderwijzers, tussen inspectie en onderwijzers en vooral tussen onderwijzers en leerlingen. Elke prent heeft een bedoeling en wil een specifieke boodschap overbrengen. Tevens blijft de vraag in hoeverre die boodschap door de leerling correct wordt ontvangen.

Teksten omzetten in beelden is niet eenvoudig, en die beelden opnieuw lezen nog minder. Vooral als de producent geen gebruik meer maakt van een reproductie van een authentieke historische bron, maar een geschiedkundige gebeurtenis wil reconstrueren, wordt duidelijk hoezeer beeldtaal verschilt van woorden.

De 'nagebeelde' geschiedenis spreekt meer tot de verbeeldingskracht dan de nagelaten bronnen. Beelden zijn immers informatiedragers met specifieke eisen. Vooreerst eist een beeld details die in een tekst eerder overbodig zijn: decors, gelaatstrekken, figuranten. Bovendien zijn beelden concreet waarneembaar en refereren dus weinig aan abstracte tekens. Zo kunnen begrippen als overvloed, onschuld, neutraliteit en vrede moeilijk worden gevisualiseerd. Door de gebondenheid aan het concrete en de nood aan detaillering verliest het beeld aan nuance, wat kan leiden tot veralgemening en tot giswerk. Immers een beeld is zeer expliciet en laat weinig ruimte voor voorzichtigheid. Tevens brengt een beeld een momentopname; het kent geen tijdverloop. Zo moet het beeld de kinderen aanzetten om verder het gebeuren te bevragen naar oorzaak en gevolg en niet stil te staan bij het attractieve gebeuren van een moord of van een wapenfeit.

Daarnaast is een beeld - in tegenstelling tot een tekst - eerder anoniem en heeft het nood aan aanvullende info om herkenbaar te zijn. Soms bieden typische gebeurtenissen, stereotiepe compositieschema's of identificerende attributen hierbij een oplossing. Denken we maar aan de voorstelling van het doopsel van Clovis, de troonzaalscène die zich herhaalt bij de Orde van het Gulden Vlies, het Eedverbond der Edelen en bij de troonsafstand van Keizer Karel. Typische attributen vinden we bij de voorstelling van Mercator, Vesalius, Plantijn, Napoleon Bonaparte en bij de koning soldaat Albert I. Deze oriënterende codes zijn echter een kunstgreep en kunnen niet alle verwarring wegnemen.

Zo staat een illustratie de ene keer voor de Guldensporenslag te Kortrijk (1302) en de andere keer voor de slag bij Woeringen (1288).

Wat met oude wandplaten nu?

In deze bijdrage werd een 'onderwijskundig-archeologische' bril opgezet. Uiteraard kijken de psychoanalyticus of de antiquair door een andere bril. Zij focussen vanuit een psychodynamische invalshoek of op de verzamelwaarde. Er zijn inderdaad meerdere mogelijkheden om deze artefacten te benaderen, maar elk heeft zijn eigen beperkingen en eigen bevindingen. De noodzakelijke voorwaarde is echter dat dit materiaal bewaard is gebleven en toegankelijk is. Volledigheidshalve dient nog te worden vermeld dat wandplaten ook een product zijn van hun tijd en dus de heersende tijdsgeest weerspiegelen. Net als andere beelddocumenten bevatten ze niet enkel de didactische intenties van de producent maar ze tonen ook iets van zijn ideologische en maatschappelijke achtergrond. Illustratief zijn de wandplaten gemaakt in Nazi-Duitsland waarop toenmalige tekens in het beeld zijn opgenomen.

Bronnen: - Karl Catteeuw, e.a. Wandplaten langs alle kanten - Catalogus. Ieper: Dienst stedelijke musea, 2005. - Karl Catteeuw. Barbaren in de klas: confrontaties met vreemde culturen in wandplaten voor vaderlandse geschiedenis. - Catalogus. Ieper: Dienst stedelijke musea, 1999. - Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Geschiedenis op de basisschool. Vijfenveertigste pedagogische week. Brussel, 1991. - R. Windey, e.a. Geschiedenis van opvoeding en vorming. Plantijn, Antwerpen, 1965. Overgenomen uit Oude didactische schoolwandplaten:bouwstenen voor ons ‘educatief geheugen’ van Martin Descheemaeker, inspecteur basisonderwijs.